Sprookje 22

Er was eens een prinsesje, dochter van de keizer van Lolland. Net voor ze 22 jaar werd, trok ze met haar prins Nikolius, zoon van een ridder van de weg, een heuse kilometervreter, in hun kasteeltje in Cappellium, een vredig dorpje aan de oever van de gestaag stromende en voortkabbelende rivier de IJzel.

Prinses Brenda stond op de avond van haar twee√ęntwintigste verjaardag op het balkon van hun kasteeltje en overzag tevreden het landschap tot aan de horizon. Ze mijmerde weg en haar gedachten gingen uit naar haar vader, de keizer, die met ijzeren hand, streng doch rechtvaardig, de scepter zwaaide over zijn keizerrijk Lolland, in het verre werelddeel Enckhuysen, samen met zijn eega keizerin Maartjius, die met ijzeren hand, streng doch rechtvaardig, de scepter zwaaide in kasteel, keuken en slaapvertrekken, en die de keizer bijstond waar ze kon, bijvoorbeeld door hem te wijzen op het veelvuldig overtollige gebruik van komma's, bijwoorden en onmogelijke zinnen. Maar meestentijds luisterde de keizer niet. Dus.

Prinses Brenda was erg in haar nopjes, vanwege het feit dat ze jarig was, haar kasteeltje, haar prins, de gasten die van heinde en ver waren gekomen om haar te feliciteren, de baby die binnen nu en twintig jaar zeker zijn of haar opwachting zou gaan maken, en misschien ook wel niet, maar dan toch zeker wel een hondje, haar zuster, prinses Mandyonium, die onlangs een valpartij met haar stalen ros had overleefd, en nog veel meer mooie gedachten dwarrelden door haar hoofd.

Toch knaagde er ergens ver weg in haar mooie achterhoofd een kleine twijfel. Zou haar vader, de keizer, door zijn onderdanen 'de vrome', 'de brave', 'de knappe', 'de stoute', 'de onverschrokkene', 'de kommaneuker', en nog veel meer gemeenplaatsen die al dan niet van toepassing zouden kunnen zijn, zou hij nog haar verjaarsfeest verblijden met zijn komst? Het was immers een flinke reis van Enckhuysen naar Cappellium en de ontberingen die de oude keizer, die er overigens twintig jaar jonger uitzag dan zijn werkelijke leeftijd, dit door uitermate gezond te leven, veel te sporten en wat dies meer zij, zou haar knappe vader het deze glorieuze dag gaan redden? Ze hoopte het zo!

Tranen van verlangen welden op in haar hemelsblauwe ogen en haar fijngevormde handen grepen de balustrade nog steviger vast. De hoop vocht zich een weg dwars door haar nu onaflatend verwarrende gedachtenstroom, tot ze door een stem vanuit het kasteel ruw uit haar overpeinzingen werd gewekt.
"Bren! Die ouwe is er! Die fantast! Pak gelijk effe een biertje voor hem!"

En het beeldschone gezichtje van prinses Brenda werd nog mooier door de bevrijdende glimlach die doorbrak. Haar diepste wens was uitgekomen, ze vloog de keizer om zijn nek, hij feliciteerde haar, fluisterde dat hij van haar hield en ze leefden nog lang en gelukkig.